Positionele nauwkeurigheid¶
Uitleg¶
Devices bepalen hun locatie met een bepaalde mate van onnauwkeurigheid. Dit betekent dat een meting niet exact op één punt ligt, maar binnen een bepaalde straal rondom die positie. Aan de rand van een meetgebied ontstaat daardoor een overgangszone: hoe dichter een meting bij de grens ligt, hoe groter de kans dat deze net binnen of net buiten het gebied valt. Dit wordt de positional uncertainty zone genoemd.
Om de datakwaliteit te waarborgen worden metingen met een grote onzekerheid (meer dan 60 meter) volledig uitgesloten. Binnen die grens kan nog steeds een kleine mate van onnauwkeurigheid optreden, maar de kans op foutieve metingen neemt snel af naarmate je verder van de rand van het meetgebied komt.
De impact hiervan verschilt sterk per type gebied:
- In drukke gebieden (zoals binnensteden) is het aantal metingen hoog en de nauwkeurigheid van locaties vaak goed (meestal rond de 10 meter). Kleine afwijkingen aan de randen van het meetgebied hebben daardoor nauwelijks invloed op het totaalbeeld. Eventuele 'overspraak' van omliggende straten of gebieden valt meestal binnen de normale onzekerheidsmarge van de meting.
- In rustige gebieden (zoals natuurgebieden) is het aantal metingen veel lager. Hierdoor heeft elke individuele meting relatief meer invloed op het totaal. Als zo'n gebied direct naast een drukke weg ligt, kunnen metingen van passerend verkeer door de kleine onnauwkeurigheid toch binnen het meetgebied vallen. Omdat er weinig echte bezoekers zijn, kunnen deze 'false positives' het beeld relatief sterk vertekenen.
Praktische vuistregel
- In rustige gebieden is het belangrijk om voldoende afstand (circa 60 meter) te houden tot drukke wegen.
- In drukke gebieden is een veel kleinere marge (bijvoorbeeld 10 meter) al voldoende, omdat het effect van onnauwkeurigheid daar beperkt blijft.
Daarnaast geldt dat in rustige gebieden de interpretatie van data gevoeliger is voor schommelingen. Bij lage aantallen kunnen enkele extra of ontbrekende metingen het totaalbeeld relatief sterk beïnvloeden. Daarom is het daar aan te raden om resultaten op week- of maandniveau te bekijken in plaats van op dag- of zelfs uurniveau.
Voorbeeld(en)¶
Voorbeelden uit de praktijk
-
Een recreatiegebied wordt ingetekend met een provinciale weg langs de rand. De gerapporteerde aantallen blijken hoger dan verwacht, omdat passerend verkeer wordt meegeteld als aanwezigheid in de locatie. Na het aanpassen van het meetgebied zodat de weg buiten de polygoon valt, sluiten de resultaten beter aan bij de functie van het recreatiegebied.
-
Een drukke binnenstad wordt gemeten waarbij een winkelstraat grenst aan meerdere andere drukke straten. Door de hoge dichtheid aan bezoekers en de relatief goede nauwkeurigheid van metingen (circa 10 meter) blijft eventuele overspraak tussen straten beperkt en valt deze binnen de normale onzekerheidsmarge. Hierdoor kunnen meetgebieden in een binnenstad dichter op elkaar worden ingetekend (bijvoorbeeld met een marge van 10–15 meter) zonder dat dit een merkbare vertekening van de resultaten veroorzaakt.
-
Wanneer bezoekersaantallen maand op maand worden vergeleken in een drukke winkelstraat, ontstaat inzicht in de ontwikkeling van dit gebied. Hierbij is het belangrijk om rekening te houden met de bandbreedte van de meting en met externe factoren zoals weersomstandigheden, evenementen of vakanties. Een stijging van bijvoorbeeld 4% ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder kan binnen de onzekerheidsmarge vallen en hoeft dus geen daadwerkelijke groei te betekenen. Door over meerdere maanden of zelfs jaren te kijken en patronen te herkennen, ontstaat een betrouwbaarder beeld van structurele groei of afname.
-
Bij het interpreteren van drukteverschillen tussen deelgebieden in een binnenstad is het belangrijk om te beseffen dat elk gebied een eigen functie en dynamiek heeft. Een winkelstraat kan bijvoorbeeld structureel hogere aantallen laten zien dan een nabijgelegen woongebied of horecaplein. Daarnaast kan de betrouwbaarheid per deelgebied verschillen door variatie in het aantal meetpunten.
Aandachtspunten¶
Aandachtspunten
- Korte meetperiodes leveren een kleinere steekproef en daardoor een grotere onzekerheid (groter betrouwbaarheidsinterval). Dit geldt extra sterk bij kleine meetgebieden en bij locaties met lage aantallen.
- De gevolgen zijn zichtbaar op detailniveau, zoals uurwaarden of dagwaarden, waar uitschieters relatief groot kunnen zijn.
- Er wordt differential privacy toegepast vanwege privacywetgeving. Hierdoor worden metingen met (zeer) kleine steekproefaantallen extra onbetrouwbaar.
- Evenementen zijn lastig te meten in absolute aantallen. Evenementen duren vaak kort, hebben piekbelasting en kennen gedrag dat afwijkt van normale dagen, zoals meerdere keren in en uit een gebied lopen of een specifieke bezoekerssamenstelling.
- Tijdelijke afsluitingen van straten kunnen het meetbeeld veranderen waardoor het basisverkeer wegvalt dat in een normale situatie wel wordt gemeten.
- Herkomst en verzorgingsgebied vragen altijd om een langere meetperiode. Omdat herkomst over heel Nederland wordt bepaald en er privacydrempels worden toegepast, is de hoeveelheid data per herkomstgebied bij korte periodes meestal onvoldoende voor betrouwbare uitspraken.
- Omdat alleen aansluitende periodes worden gemeten, is het niet mogelijk om losse zomers uit verschillende jaren als één dataset af te nemen. Als twee zomers vergeleken moeten worden binnen één doorlopende meetdefinitie, dan moet de gehele periode tussen die zomers ook onderdeel zijn van de meetperiode.